Het jaar 2015 is precies zo’n jaar dat bacterievuur weer de kop op kan steken. Controleer dus tijdig en regelmatig uw aanplant. Over de bestrijding van bacterievuur heeft de NFO in het verleden het voortouw genomen voor afspraken met de overheid. De te nemen acties liggen in eerste instantie bij de fruitteler. Hij is verantwoordelijk om zijn eigen aanplant regelmatig te controleren en de zone 500 meter rondom zijn bedrijf/percelen. Bij aantasting op het bedrijf is zorgvuldig verwijderen en verbranden van het aangetaste materiaal de enige remedie. Als verbranden niet is toegestaan, voer de aangetaste aanplant dan af naar de gemeentewerf.  Is er een bacterievuur-bron in de 500 meterzone rondom de percelen dan dient de fruitteler de eigenaar ervan hier op aan te spreken. De teler dient de eigenaar te verzoeken de aantasting te verwijderen. Lukt het niet om de verwijdering van de aangetaste haard afdoende op te ruimen, dan is bemiddeling een optie. In elke regio is er wel een commissie die regulier overleg heeft over de aanpak van bacterievuur. In deze commissie zitten vaak de landschapsbeheerders en doorgaans zijn ook de fruittelers vertegenwoordigd in die commissie. Meestal is dit de NFO of LTO.

Mocht het niet lukken om via de regionale commissie tot een oplossing te komen, dan kan een NVWA-inspecteur  bemiddelen. Dit waren tot 2007 de medewerkers van de PD.  Als het nodig is kan een NVWA-inspecteur de veroorzaker van de overlast aanzeggen het aangetaste materiaal op te ruimen.

Op deze wijze is er een sluitend systeem om bacterievuur beheersbaar te houden. De NFO is verder actief om aanplant van bacterievuurgevoelige waardplanten in de omgeving van fruitteeltbedrijven zoveel mogelijk te beperken. Met name nu de Nederlandse fruittelers steeds meer overschakelen van appels naar peren. Ook hier zullen we actief moeten blijven.

Dit bericht is geplaatst op dinsdag 18 augustus 2015 - 14:45