De bijensterfte in Nederland was afgelopen winter met 14 procent opvallend laag. De afgelopen vijf jaar bedroeg de wintersterfte jaarlijks meer dan 20 procent en behoorde Nederland tot de landen met de hoogste sterfte. Romée van der Zee van het Nederlands Centrum Bijenonderzoek (NCB) ziet de gunstige leefomstandigheden in 2012 als oorzaak van de lage wintersterfte en waarschuwt deze cijfers niet te zien als een trendbreuk. Waarschijnlijker is dat de bijensterfte volgende winter weer hoger is.

 

Het onderzoek onder Nederlandse imkers maakt deel uit van een grootschalig, wereldwijd onderzoek van de organisatie COLOSS, waarvan Van der Zee coördinator is. In negentien Europese landen en Israël en Algerije werden in totaal meer dan 15.000 imkers ondervraagd, waardoor informatie over meer dan 280.000 bijenvolken is verzameld. Opvallend is dat de sterfte tussen landen sterk uiteenloopt, van 6 procent in Israël tot wel 37 procent in Ierland. Traditioneel overleven bijen in Zuid-Europa (gemiddeld < 10% sterfte) de winter beter dan in het noorden. In de meeste Noord-Europese landen is de sterfte gestegen van ongeveer 15 procent naar een niveau van boven de 30 procent. Polen en Finland hebben een stabiel sterftecijfer van 17 procent. Opvallend is dat afgelopen winter in Centraal-Europa (Duitsland, Oostenrijk en Zwitserland) een kentering werd geconstateerd. De afgelopen jaren bedroeg de sterfte meer dan 20 procent, maar afgelopen winter bleef deze steken op circa 15 procent. Datzelfde gold voor Nederland.

 

COLOSS onderzoekt de wereldwijde bijensterfte sinds 2003. Vanuit dit onderzoek ziet Van der Zee overeenkomsten met afgelopen winter. Net als in 2006/’07 werd een goede winter voorafgegaan door een slechte. Van der Zee verklaart dit als volgt: tijdens een winter met veel bijensterfte overleven de sterkste volken. Wanneer de daaropvolgende zomer gunstige weersomstandigheden kent, gaan deze bijen bovengemiddeld sterk de winter in en is de kans op overleven ook groter. In het daaropvolgende seizoen zal de bijensterfte waarschijnlijk weer gemiddeld zijn. Dat was in 2006 het geval en zal in 2012 waarschijnlijk ook zo zijn, verwacht Van der Zee. “Er is geen enkele aanwijzing dat er sprak zou zijn van een trendbreuk”, stelt de onderzoekster.

Ze wijt de verhoogde bijensterfte aan een combinatie van factoren, zoals het voorkomen van de varroamijt, een gebrek aan bloeiende gewassen in met name de zomerperiode, slechte weersomstandigheden, het gebruik van insecticiden en het handelen van de imker. Van der Zee benadrukt dat er een groot verschil is tussen de verschillende regio’s in Nederland. De hoogste sterftecijfers, 16 en 17 procent, werden vastgesteld in Groningen en Zuid-Holland. Vermoedelijk hebben de minder gunstige leefomstandigheden, met name minder bloeiende gewassen in de zomerperiode, daarmee te maken. Ook in Noord-Holland en Limburg was het sterftecijfer met 10 procent vrij hoog. In de overige provincies varieerde het sterftecijfer tussen 4 en 8 procent.

In totaal hebben 1.630 Nederlandse imkers gegevens ingezonden.

 

Dit bericht is geplaatst op dinsdag 6 augustus 2013 - 17:30